| Geschiedenis |
Eén van de jongste kastelen aan de Veluwse kant van
de IJssel is wel 'De Lathmer' te Wilp. A.J. van der Aa weet er in zijn
in 1846 verschenen 'Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden' het
volgende over te melden:
'Lathmer, gewoonlijk de Latemer genaamd, landgoed op de Middel-Veluwe,
prov. Gelderland, ditr. Veluwe, arr. en 7 u. N. ten O. van Arnhem, kant.
en 2 u. N.O. van Apeldoorn, gem. en 1 u. N.N.W. van Voorst, ½ u. W.t.Z.
van Wilp, waartoe het behoort. Dit landgoed, waarvan het huis in eene
watergracht ligt, eene vaste brug heeft, en met fraaije singels en
wandelwegen omgeven is, werd, op het midden der vorige eeuw, bezeten
door de Heer Willem Herman Baron van Broekhuizen enz., beschreven in de
ridderschap van de Veluwe, die het huis en het geheele landgoed
aanmerkelijk verbeterd heeft, door er aangename dreven, bosschaadjes en
vijvers aan te leggen'.
Deze
beschrijving is nogal summier, maar gelukkig valt er meer over de
Lathmer te vertellen.
De naam werd oorspronkelijk gespeld als Latmer, maar in het midden van
de zestiende eeuw komt ook de schrijfwijze Laekmer voor. Het woord
'Laak' dienen we hier te interpreteren als beek. De huidige naam is
Lathmer.
In 1273 wordt wordt een Albertus de Latmere genoemd als getuige van het
kapittel van St. Walburg te Zutphen; een Willem ter Latmer komt voor in
1372 en ongetwijfeld zullen beide in relatie staan met het goed de
Lathmer. Van het goed de Latmer is in 1414 sprake
in een
tienderol van de Hummelse tiend, zonder dat er overigens een eigenaar
genoemd wordt.
Die eigenaar is Albert van Zuderaes os Soerhuis, die in 1433 leenman van
Evert van Wilp blijkt te zijn. Het Soerhuis is thans een boerderij in de
nabijheid van de Lathmer. Het merkwaardige feit doet zich voor dat de
havezathe Suideras bij Vierakker ook wel
Soerhuis genoemd werd en ook daar treffen we een geslacht Van Zuderaves
aan. Waarschijnlijk betreft het hier hetzelfde geslacht, doch de
familierelaties konden tot dusver niet vastgesteld worden.
Albert's nageslacht zal de Lathmer tot 1547 in eigendom behouden. In dat
jaar verkoopt Frederik van Soerhuis, heer van Laickmer, het goed op 17
januari aan Pelgrim van Thije voor 900 goudgulden. Pelgrim overleed al
twee jaar na de aankoop en zijn weduwe, Andries van Knyppenborch,
hertrouwde met Rinquin van Essen tot de Swaenenburch (bij Vorchten). Het
is dat echtpaar Van Essen-van den Knyppenborch dat de Laickmer, zoals
het goed dan nog genoemd wordt, in 1547 weer van eigenaar doet
veranderen. De koper Jacob van Brienen, gehuwd met Elisabeth van der
Capellen. Dit echtpaar heeft het goed aanzienlijk uitgebreid want het is
bekend dat Jacob in 1596 vele stukken grond in de buurt aankocht. Zijn
zoon Hendrik is in 1615 eigenaar en hij is in 1622 nog in leven. Zijn
sterfdatum is niet bekend, maar hij zal kort na 1622 zijn overleden,
want in 1630 verkoopt Dirk van Brienen - hoogstwaarschijnlijk zijn zoon
- de Lathmer aan Wilt van Broeckhuysen voor de somma van ƒ 48.500,=. Helemaal vlekkeloos is deze verkoop
niet verlopen, want Dirk had tegelijkertijd het goed verkocht aan Arent
van Haersolte, die er 10 november 1630 mee beleend werd. Wat er precies
aan de hand geweest is, is niet bekend. Vermoedelijk had Dirk geldzorgen
en was Arent één van zijn geldschieters, die - toen Dirk het onderpand
dreigde te verkopen aan Wilt - zich met de Lathmer heeft laten belenen,
teneinde zijn vordering op Dirk veilig te stellen. De zaak is toch nog
in het reine gekomen, want Wilt van Broeckhuysen werd op 25 februari
1631 met de Lathmer beleend door de leenheer, Maximiliaan van Renesse,
Heer van Wilp.
Wilt van Broeckhuysen was in 1619 in het huwelijk getreden met Fenna van
Delen. Hij was afkomstig van de havezathe Den Doorn bij Zwolle, die hij
van zijn ouders erfde. Van zijn zwager Karel van Delen kocht hij in 1653
het kasteel de Geldersche Toren te
Spankeren. De Lathmer vererfde op zijn zoon Willem Herman, die in 1671
weet te bereiken dat dat goed door Johan Pieter van Renesse en Agnes
Francisca van Renesse tot Wilp uit de leenroerigheid ontslagen wordt.
Hij maakte het goed tot een Zutphens leen en werd er op 13 april 1671
mee beleend. Hij was gehuwd met Johanna van Essen.
De familie Broeckhuysen zal tot 1766 eigenaar blijven van het goed. De
laatste, Willem Herman van Broeckhuysen maakte er een rommeltje van. Hij
trad in het huwelijk met Mechtelt Jacomina van Lynden, die de
Leeuwenberg bij Wilp ten huwelijk mee bracht. Dit echtpaar Van
Broeckhuysen-van Lynden voerde een grote staat op de Lathmer. Ook lieten
zij het huis en vooral de parkaanleg op grandioze wijze verfraaien en
uitbreiden, hetgeen handen vol geld gekost moet hebben; geld dat op
zeker moment niet meer voorhanden was. Het is dan ook misgelopen.
Al in 1751 vorderde zijn tante Debora van Broeckhuysen-van (der) Hammen
een bedrag van ƒ 16.753,= . Aangezien hij het bedrag niet kon
terugbetalen, liet zij beslag leggen op zijn goederen. Niet alleen zij
had geld van hem te goed; omstreeks 1760 had Willem Herman nog 184
andere schuldeisers. Was dat de reden dat hij en zijn echtgenote de
Lathmer overdroegen aan hun zoon Wilt Hendrik in 1755?
Willem Herman, die burgemeester van de stad Harderwijk was, heeft
getracht het hem boven het hoofd hangende faillissement te ontlopen door
veel van zijn bezittingen te verkopen, teneinde zijn schuldeisers te
kunnen voldoen. Het heeft hem niet geholpen, maar het kostte hem in 1756
wel zijn plaats in de Veluwse ridderschap, waaruit hij gewipt werd,
aangezien hij niet meer aan de bepalingen kon voldoen dat hij over een
zeker vermogen beschikte.
Willem Herman van Broeckhuysen overleed in 1764 en zijn weduwe weigert
afstand te doen van zijn goederen. Op 17 februari 1766 werden de Wilpse
bezittingen van baron van Broeckhuysen in het openbaar in 15 percelen
verkocht, waaronder zich bevonden de Lathmer, het Huis te Wilp, de
Leeuwenberg en de omstreeks 1760 afgebrande molen van Posterenk. De
totale massa van de te veilen goederen werd gekocht door Lubbert Jan
baron van Eck. Die was in 1764 ook al eigenaar geworden van het huis
Rijswijk bij Groessen en voorts bezat hij goederen bij Arnhem, Velp en
Brummen, onder andere zijn ouderlijk huis Overbeek te Velp. Zoals meer
ietwat berooide Gelderse jonkers maakte hij fortuin in de Oost. In het
leenregister is zijn naam niet vermeld. Dat zou ook niet kunnen, want
hij was reeds op 1 april 1765 te Colombo overleden. Vermoedelijk had hij
zijn familie opdracht gegeven om voor hem landgoederen aan te kopen als
belegging voor zijn in de Oost verdiende geld. Het bericht van zijn dood
zal eerst na de veiling van 1766 bekend geworden zijn, want dat bericht
moest per schip van de V.O.C.-retourvloot worden overgebracht. In zijn
plaats werd voor de gezamenlijke erven zijn broer Jacob Willem op 11
februari 1767 met de Lathmer beleend.
De gezamenlijke erven verkochten de Lathmer aan Robbert Jasper van der
Capellen, die er op 13 september 1770 mee beleend werd. Hij was een
achterneef van de bekende patriot Joan Derk van der Capellen. Voor zijn
patriottische sympathieën werd hij wegens landverraad ingedaagd en
daarom verscheen hij sedert 1788 niet meer in de ridderschap van de
Veluwe. Het vonnis werd overigens in 1795 vernietigd toen de Fransen het
hier voor het zeggen kregen. Hij was gehuwd met de zeer gefortuneerde
Sara Jacoba van de Velde en dat zal de reden geweest zijn dat hij nogal
wat bezit kon verwerven. In 1769 had hij het kasteel De
Marsch bij Zutphen van Evert Willem van Heeckeren gekocht en in 1781
zal hij de Engelenburg te Brummen
van Pieter van Braam kopen. Toen had hij drie kastelen, hemelsbreed zo'n
vijftien kilometer van elkaar gelegen. Dat heeft echter maar zeer kort
geduurd, want nog in 1781 verkocht hij de Lathmer.
De nieuwe eigenaar was een zeer illuster persoon, namelijk Peter Biron
'bij de gratie Gods Hertog van Lijfland, van Coerland etc.'. Dat
etcetera staat dan onder meer voor Semgallen en voorst was hij Heer van
Wartenberg, Bralin en Goschutz etcetera. Deze landen dienen we te zoeken
in de voormalige Sovjetrepubliek Letland. Men kan zich afvragen waarom
een hertog van zo'n ver land belangstelling zou kunnen hebben voor de
Lathmer. De oplossing is vrij simpel. De hertogen van Lijfland en
Koerland werden uit en door de adel gekozen. Het Biron regeerde sedert
1737 en Peter besteeg in 1769 de troon, toen zijn vader Ernst Johann ten
gunste van hem afdankte. De Baltische adel bestond grotendeels uit leden
van West-Europese en Scandinavische adellijke families; doorgaans jongere
zoons die als kolonisten naar het oosten getrokken waren. De Biron's
heetten eigenlijk Von Bűhren en stamden oorspronkelijk uit
Westfalen. En de afstand tussen Westfalen en Wilp is niet zo heel erg
groot!.
Peter Biron werd op 1 juni 1781 met de Lathmer beleend, maar verkocht
het goed in 1790. Zag hij zijn val naderen? Vijf jaar later werd hij
door Tsarina Catharina de Grote gedwongen tot troonsafstand en werden
zijn landen door Rusland ingelijfd.
Op 4 november 1790 werd zijn opvolger met de Lathmer beleend. Voor het
eerst was het kasteel in het bezit gekomen van een niet-edelman, en deed
de gegoede handelsstand zijn intrede, in de persoon van de Amsterdamse
koopman Jan Ananias Willink. Die moet er nogal wat bijgekocht hebben,
want in de periode dat hij eigenaar was, bereikte de Lathmer zijn
grootste omvang, namelijk 466 morgen en 271 roeden. Ook heeft hij
vermoedelijk een nieuw huis laten bouwen. Willink's verblijf op de
Lathmer is vrij geruisloos verlopen want er gebeuren in die tijd geen
schokkende dingen en bij akte van 12 juli 1820 verkocht hij zijn gehele
Wilpse bezit.
Ditmaal was de koper een driemanschap, bestaande uit de Deventernaren
Mr. Hendrik Willem van Marle, Mr. Adam van Doorninck en Hendrik Budde,
die de Lathmer vermoedelijk op speculatie hebben gekocht. In die tijd
verwierven zij meer goederen in de buurt van Deventer. Hun nieuwe
aankoop bestond uit 35 percelen waar onder 'het oud adelijk Huis en
Havezaat den Lathmer met de bouwhuizen, Hoven, Grachten, Cingels, Bouw-
en Weilanden en Boschgronden met alle regten en geregtigheden daartoe
gehorende', 'het oude adelijk Kasteel en Havezaat den Leeuwenberg tot
Wilp bij de Lathmer.....' De totale koopsom heeft ƒ 225.000,= bedragen.
Het driemanschap begon op 14 februari 1821 met de grote uitverkoop. De
Lathmer zelf met een deel van het grondbezit kwam aan Mr. Adam van
Doorninck, die het huis is gaan bewonen. Hij overleed op 4 oktober 1846,
zijn echtgenote op 26 maart 1849, beiden op de Lathmer. Hun erfgenamen
besluiten om het landgoed in 16 percelen te veilen door de Deventer
notaris Mr. H.W. van Marle, een ander lid van het driemanschap.
Het landgoed viel niet uiteen, daar de generale massa van de percelen
gekocht werd door Jan Herman Adriaan Schimmelpenninck als lasthebber van
Gulian Cornelis Crommelin, particulier te Amsterdam.
Wat Crommelin precies gekocht heeft, vertelt ons de notariële akte. Het
landgoed blijkt behoorlijk ingekrompen te zijn; van het omvangrijke
bezit Willink zijn nog maar 150 bunders overgebleven. De drie voormalige
kastelen, de Leeuwenberg, de Wilperhorst en het Huis te Wilp zijn dat al
in andere handen overgegaan. Bij de Lathmer behoren dan nog slechts de
boerenerven Soerhuis en Bosman, alsmede de katerstede Kleine Lathmer.
Het herenhuis bevatte veertien kamers, keukens, kelders en verdere
gemakken. Voorst waren er stallingen, koetshuis, tuinmanswoning, schuur,
varkenshokken, een overdekte mestvaalt, broeikassen, en een oude toren,
waarin kippenhok, kamer en duiventil.
Na zijn dood in 1891 waren er 11 erfgenamen en het zag er naar uit dat
geen van de erfgenamen in staat zou zijn de anderen uit te kopen. Er
bleek er toch eentje te zijn, namelijk Mr. Marinus Cornelis Crommelin,
die in 1866 in het huwelijk getreden was met de gefortuneerde
bankiersdochter Sophia Carolina Agatha Wilhelmina van Dielen, die van
haar ouders de ridderhofstad Kersbergen te Zeist erfde. Daar heeft het
echtpaar lange tijd gewoond, daar hij ondermeer rechter te Utrecht was.
Daar zijn zij ook overleden; hij in 1907, zij in 1919.
De Lathmer liet hij na aan hun zoon Mr. Claude Crommelin, in 1901 in het
huwelijk getreden met jonkvrouwe Elisabeth Anna van Schuylenburch, van
het kasteel Wisch te Terborg. Hij
was in diplomatieke dienst en verbleef buitenslands en bewoonde de
Lathmer evenmin. Na zijn dood in 1946 viel het landgoed toe aan zijn
zoon Mr. Charles Louis Frédéric, die eveneens bij Buitenlandse Zaken
werkzaam was en het huis ook niet betrok.
In 1950 verhuurde hij het huis aan de "Danël de
Brouwerstichting", die het inrichtte tot een tehuis voor verpleging
en verzorging van zwakzinnige jongens en mannen van alle leeftijden,
geleid door de Congregatie van de Broeders Penitenten. Genoemde
stichting kocht enige jaren later het huis met de circa 22 hectare;
naderhand kocht zij er nog eens 23 hectare bij. De Danël de
Brouwerstichting droeg in 1987 haar bevoegdheden inzake de Lathmer over
aan de "Stichting Voorzieningen voor Geestelijk Gehandicapten de
Lathmer".
De gewijzigde bestemming heeft ertoe geleid, dat overal in het park
gebouwen verrezen zijn, nodig voor een behoorlijke uitoefening van de
zwakzinnigenzorg. Helaas wordt hierdoor de algehele indruk van de
Lathmer als buitenplaats nogal door verstoord.
Hoe het allereerste huis eruit gezien heeft, is niet bekend. De oudste
afbeeldingen dateren uit de achttiende eeuw. Zij tonen ons een groot,
rechthoekig huis met een zadeldak gedekt; aan de westzijde afgesloten
door een trapgevel, aan de oostzijde door een in- en uitgezwenkte
Gelderse gevel. Het huis bezat boven het souterrain vier verdiepingen.
Op de noordwesthoek verhief zich een vierhoekige toren en een
veelhoekige aan de zuidoosthoek, evenals in het midden van de zuidgevel
en tussen beide laatste torens bevond zich een Gelderse gevel. Het
geheel maakte een laatzestiende-eeuwse indruk, maar het huis kan heel
goed oudere bouwdelen gehad hebben. In de tweede helft van de achttiende
eeuw moet het huis zijn afgebroken, op de zuidoosttoren na, die voortaan
fungeerde als kippenhok en duiventoren, want zo werd hij bij de verkoop
in 1849 omschreven. Thans is hij niet meer aanwezig.
Wanneer exact het huis afgebroken werd, is niet bekend. Mogelijk
geschiedde de afbraak op last van Willink. Die heeft dan op het
voorplein een nieuw huis laten bouwen, waar zich blijkens een oude kaart
een langgerekt dienstgebouw bevond en het is niet uitgesloten dat het
nieuwe huis gebouwd werd met gebruikmaking van het muurwerk van dat
dienstgebouw. Het kreeg boven een hoge parterre een vrij lage
verdieping, alles voorzien van grote, voor die tijd moderne schijframen.
Dat huis was voor de Crommelins kennelijk te simpel en mogelijk ook te
klein. Omstreeks 1860 werd het bestaande huis verbouwd en vergroot in
Italiaanse villastijl. Het kreeg een volwaardige bovenverdieping met
daarboven nog een attiek, een lage verdieping met kleine vensters boven
de kroonlijst. De voorgevel werd voorzien van een torenachtige
middenpartij, bekroond met een opgewerkt spitsje.
Dit huis is geen erg lang leven beschoren geweest. Op 1 augustus 1911
brandde het tot de grond toe af en de Zutphense Courant van de dag
daarop geeft een uitgebreid verslag van het gebeurde en een paar
gedeeltes daaruit worden hieronder weergegeven. Het verslag opent met de
zinnen: 'Huize "De Lathmer", onder Wilp, (gem. Voorst) is niet
meer. Van het trotsche gebouw is weinig meer dan een troostelooze ruïne
overgebleven. De eenmaal witte muren, die thans voor een deel nog, bruin
geblakerd zijn, vertellen u wat er gebeurd is. Gisterenavond te ongeveer
half tien begon de brandklok op "de Lathmer" te luiden: er was
brand uitgebroken.
Het vuur was begonnen in de slaapkamer van den heer des huizes, die -
wijl hij zich een weinig onwel gevoelde - reeds te bed lag. Toen deze
bemerkte wat er gaande was stond het heele vertrek reeds vol rook. Hij
riep om hulp, waarop dadelijk de huisknecht kwam toeschieten.
Deze slaagde er in den heer des huizes naar buiten te brengen zonder dat
deze tijd had eenige kleedingstukken aan te schieten. Ook mevrouw, hun
vier kinderen (de oudste was van huis) en een dame met haar dochtertje
die op het landgoed gelogeerd waren, ontkwamen in nachtcostuum.....
Intusschen hadden de vlammen met zoo razende snelheid om zich gegrepen
dat er niet aan te denken was veel te redden. De geheele inboedel,
waaronder vele kostbare oudheden, is in vlammen opgegaan. Slechts enkele
voorwerpen, een schrijfbureau o.a. naar men ons mededeelde, konden in
veiligheid gebracht worden. Drie spuiten waren wel spoedig ter plaatse -
een uit Twello, uit Posterenk en uit Wilp, maar ze konden zoo spoedig
geen water geven, al weer wegens de droogte, en buitendien bleek het
spuitmateriaal voor zoo'n grooten brand ook niet berekend. Het
voornaamste wat men kon doen, was de naburige schuren en het
tuinmanshuis nat houden. Gelukkig was er bijna geen wind, zodat het vuur
tot de villa zelf beperkt bleef....
Te ongeveer vijf uur was het vuur gebluscht, nadat het heele hoofdgebouw
zoo goed als uitgebrand was.
De huize Lathmer en de inboedel waren eigendom van Mr. C. Crommelin te
's-Gravenhage. De villa was dezen zomer verhuurd aan den heer J. van den
Broek d'Obrenan, eveneens uit Den Haag. Voor een paar jaar was 't
hoofdgebouw geheel gerestaureerd.
Wat de oorzaak van den brand is geweest, weet men niet. Toen hij om half
tien uitbrak was er nog geen sprake van onweer boven Wilp. Het vermoeden
is geuit dat er een ontploffing van acetyleengas - waarmee "De
Lathmer" verlicht werd - zou hebben plaats gehad, tengevolge van
een lek in de leiding...'.
Vrijwel meteen na de brand nam de eigenaar het besluit, de Lathmer te
laten herbouwen. Met het vervaardigen van de herbouwplannen werden de
architecten J.J. , M.A. en J. van Nieukerken belast. Zij ontwierpen een
kolossaal huis in neorenaissancestijl met zeven trapgevels en een
vierkante toren, of - zoals M.A. van Nieukerken zich uitdrukte - een
huis in zuivere 'Van Nieukerkenstijl'. Vergelijkbare bouwwerken
van deze architecten vindt men in 's-Gravenhage in het gebouw van een
petroleummaatschappij en in het kasteel 'De Witteburg' te Wassenaar.
Zoals we reeds zagen, heeft alleen de eerste generatie Crommelin de
Lathmer bewoond; daarna is het huis altijd verhuurd. Het verhaal gaat
dat Mr. Claude - toen men hem berichtte dat het huis klaar was - niet
eens de moeite heeft genomen om een kijkje te gaan nemen, maar dat hij
de architect berichtte dat die de rekening maar moest sturen.
Thans is op het landgoed De Lathmer de Stichting Zozijn
gevestigd. Op landgoed
De Lathmer in Wilp wonen mensen met een handicap die kiezen voor een
beschermde woonomgeving. Er zijn op het landgoed zo’n veertig
verschillende woningen. Elke woning heeft zijn eigen sfeer en karakter.
De meeste cliënten die in Wilp wonen, hebben behoefte aan intensieve
begeleiding en/of verzorging. Er is speciale aandacht voor mensen met
een ernstige meervoudige complexe handicap (EMCG).
De komende jaren wordt het landgoed opnieuw ingericht. Bij de
herinrichting wordt gedeeltelijk vervanging gerealiseerd ter vervanging
van oude huisvesting. Daarnaast worden er, in samenwerking met andere
partijen, woningen gebouwd voor derden. Op die manier wordt het landgoed
in de toekomst een gewone woonwijk van Wilp.
|