Dijck
(Didam)
Op deze pagina vindt u
informatie over Dijck.
| Ligging | Ten zuiden van Didam, in het buurtschap Dijck |
| Ontstaan | |
| Geschiedenis | Warner Warnersz. van Len(n)ep is vóór 1346 bezitter van "Die alinge hofstede,
dair siin huys op steet, gelegen tot Diedam voir den Diick.". Deze
vermelding geeft ons meer informatie over Dijck. Een hofstede, waar een
huis opstond, betekent dat er een min of meer verdedigbaar stenen gebouw
is geweest. En gelegen voor de dijk wil niets anders zeggen dat het bij
een dijk gelegen was. Die dijk heeft het huis dus de naam gegeven.
Warner was tevens bezitter van de nabijgelegen havezathe De Haagh en dat
goed blijft tot 1598 aan zijn geslacht, terwijl Dijck in 1458 eigendom
blijkt te zijn van de priester Werner van Aerde, die dit goed kennelijk
door erfenis verworven heeft. Zijn moeder zal een Van Lennep geweest
zijn. Wanneer hij omstreeks 1475 sterft, zijn er meerdere erfgenamen. In
1476 wordt beleend Johan van Rafeler, echtgenoot van Agnes van Aerde,
maar de boedel blijft voorlopig onverdeeld. In 1489 zien we Henrick
Kaell beleend worden, na opdracht van Henrick van Aerde, Agnes van
Rafeler-van Aerde en haar schoonzoon Claes van Egeren, echtgenoot van
hun dochter Agnes. Uiteindelijk zal ieder zijn erfdeel ontvangen hebben, want Borro van Airde, Henrick's zoon, wordt in 1533 met het gehele goed beleend. Gerhardt van Aerde, achterkleinzoon van Borro, koopt in 1617 De Haagh, die tot dan nog aan de Van Lennep's behoorde. Daniela Maria van Aerde zal van haar geslacht de laatste eigenares van Dijck en De Haagh zijn, die zij van broer Jacob Emanuel geërfd had. Zij verkoopt beide goederen aan de Doetinchemse burgemeester Gerard Josias Olmius, echtgenoot van Cunigonda VerHuell, die er in 1728 mee werd beleend. Daarmee waren beide havezathen uit adellijke hand overgegaan in die van een stedelijk regentengeslacht. De reden daarvan zullen vermoedelijk de sterk gedaalde inkomsten van deze goederen geweest zijn, mede gelet op de agrarische depressie rond 1720. Zijn zoon Josias Olmius verkocht Dijck in 1788 aan Henriette Geertruida van Heerdt, weduwe van Isaac Havart. Maar er moet nog een huis Dijck geweest zijn, een goed dat Olmius niet kopen kon, omdat een ander er eigenaar van was en dat Wilhelm Tuchter in 1738 kocht. Zijn zoon Hendrik Jan Tuchter bezat ook de Magerhorst in Duiven. Waarschijnlijk was dit huis Dijck de vroegere bouwhoeve. Na Tuchter kwam het aan Arnold Römer, die zijn bezit in 1777 verkocht aan de zusters Gerarda Henrica en Wilhelmina Catharina van Heerdt, zusters van Henriette Geertruida. Zo kwamen beide landgoederen weer in één hand. De Haagh werd in 1793 verkocht aan Joan Philip Heydendaal; Dijck in 1796 aan Hendrik van Elsenbroek, die in Dijck een textielfabriek vestigde. In 1801 werd die wegens schulden verkocht aan Ferdinand van Schwedler en diens echtgenote Aleida Johanna Catharina Beukevoort, die in 1807 alles verkocht aan Nicolaas Blauw. De gebouwen werden gesloopt en in 1809 verkocht Jan Keurschot het terrein, waar het huis Dijck had gestaan, aan Albert Gies. De huidige eigenaar Antonius Adrianus Maria van Lieshout, kocht Dijck in 1965 van de familie Thuys. Het tegenwoordige huis werd omstreeks 1870 gebouwd. |
| Eigenaar/Bewoners | Dhr. Antonius Adrianus Maria van Lieshout |
| Huidige doeleinden | Privé bewoning. |
| Toegankelijk | Huis en directe omgeving zijn niet toegankelijk voor het publiek. |
| Foto's | |
| Bronnen | Jan Harenberg -
"Eens bolwerk van de adel, kastelen en landhuizen in de
Achterhoek en Liemers" |