Duistervoorde (Twello)

Op deze pagina vindt u informatie over Duistervoorde.

Ligging In de schaduw van de neogotische St. Martinuskerk te Twello staat aan de Kerklaan nummer 14 huis Duistervoorde.
Ontstaan In 1358 werd het reeds voor het eerst genoemd, toen de een knecht uit Deventer namens deze stad een brief naar ‘Duestervoert’ bracht.
Geschiedenis Vrijwel niets doet vermoeden dat deze ogenschijnlijk in de negentiende eeuw gebouwde villa ooit een versterkt huis van enige allure is geweest. Het huis is dan ook veel ouder dan het er uit ziet. De huidige tuin, toch niet onaanzienlijk van omvang, is slechts een schaduw van de landerijen die ooit tot het huis hoorden.
Om een idee te geven van de omvang van de bezittingen van Duistervoorde volgt hieronder een overzicht, zoals vermeld in een magescheid (verdeling van erfenis) van 1721:

“Het huijs Duystervoorde cum annexis met hooven en boomgaerden, de weijen, hoijlanden, soo bij hetselve sijn liggende, met de eijckenboomen in deselve ’t bosken, den Knollenbelt genaemt, Keukenkamp met sijn houtgewas, den Dijckercamp met sijn houtgewas, de allee voor ’t huijs met sijn steerneboss [sterrenbos/MT], en opgaende boss, de allee ter sijden het huijs en ’t ackermaels bosken, ’t Paddegat genaemt; Dries Eijlers huijs, hoff, bongert, wey- en hoijlandt daer in staende, sijn camp aen de weteringe met ’t houtgewas, ’t ackermaelsbosken bij Dries huijs met de opgaende eijcke boomen na ’t Witte Veen; de Windemolen, ’t mulderf, huijs, hoff, bongert, twe saeijkampkes met ’t houtgewas, de hegge aghter de mulderf hoff langhs, ’t Hietvelt; Jan Dercks Smits hoff, bongert, saeykamp met ’t houtgewas; Reijner Jansen Koukourts [?; slecht leesbaar/MT] hoff, saeijkamp met sijn houtgewas; de Smit en Reijner sijn weijlandt, genaemt ’t Schuttenlandt, met het houtgewas; Meulevelts huijs, bergh, schaepsschot, hoff, sijn weij- en hoijlandt met het houtgewas; Goorhuijs belt met de boomen daerop staende; ’t Groote Goorhuijs; ronde kampken; aghterste Goorhuijs met sijn houtgewas; ’t mekkbosken; ’t groote Meulevelt met sijn houtgewas; de Meulekamp met sijn houtgewas; nogh in de Meulekampen; nogh een landtje in Vorghten; nogh twe armenhuijskens in Zutphen.".

Niet alleen het goederenbezit is indrukwekkend te noemen; ook de ouderdom van het huis mag er zijn. In 1358 werd het reeds voor het eerst genoemd, toen de een knecht uit Deventer namens deze stad een brief naar ‘Duestervoert’ bracht. Vermoedelijk was het toen reeds bezit van het geslacht Van Apeldoorn. De eerste eigenaar die in 1381 met naam en toenaam genoemd wordt, was Herman van Apeldoorn, invloedrijk lid van het Deventer koopmansgilde. Dat de familie riddermatig was, dat wil zeggen tot de lage adel behoorde, blijkt in 1411, wanneer Jacob van Apeldoorn als ridder genoemd wordt. De familie Van Apeldoorn bleef tot in de zeventiende eeuw eigenaar van het huis.
Dorothea van Apeldoorn, de laatste van haar lijn, was gehuwd met Willem van Steenbergen. Hun zoon Peter werd in 1637 met Duistervoorde beleend. Hij liet het huis in 1640-1641 verbouwen. Ter herinnering daaraan liet hij in het poortgebouw het alliantiewapen van hem en zijn vrouw Johanna van Voorst aanbrengen. Veel plezier heeft Peter van Steenbergen niet aan zijn verbouwde huis beleefd, want hij overleed in 1643. Met zijn dood brak er een chaotische periode aan. Na Peters dood werd zijn toen nog minderjarige dochter Dorothea Petronella van Steenbergen met Duistervoorde beleend. Zij kreeg heel wat met het huis te stellen want in 1662 brandde een deel van het huis af. Dorothea Petronella en haar moeder Johanna van Voorst ruzieden vervolgens over de vraag wier schuld het was en wie voor de kosten moest opdraaien. Uiteindelijk werd de schade in 1665 hersteld. Dorothea Petronella van Steenbergen overleed echter al in 1666, vlak naar huwelijk met Frederik Johan van Baer tot Slangenburg. Na haar dood melden zich drie gegadigden voor haar erfenis: In de eerste plaats haar moeder Johanna van Voorst, verder Arend van Wassenaer van Duyvenvoorde voor zijn minderjarige zoon Jacob en tot slot Jan van Steenbergen tot Nijenbeek, eerst namens zijn onnozel neef Karel van Steenbergen, en na diens dood voor hemzelf. Alle drie kandidaten lieten zich met het huis belenen, hetgeen tot de nodige verwarring geleid moet hebben.

Johanna van Voorst trekt uiteindelijk aan het langste eind. Zij was in 1650 hertrouwd met Derk van Stepraedt tot Doddendael en bracht op deze wijze Duistervoorde in diens familie. De Van Stepraedts verkregen door huwelijk en erfenis een zeer indrukwekkende hoeveelheid bezittingen. Zo bezat Derk Jan van Stepraedt, kleinzoon van Derk en Johanna van Voorst Duistervoorde, Doddendael en Loenersloot en bracht zijn vrouw Johanna Elisabeth van Steenbergen de huizen Nijenbeek en Slangenburg mee ten huwelijk.
Dit echtpaar had alleen twee dochters. De oudste Maria Agnes gehuwd met Willem Caspar van Doornick erfde de meeste huizen en goederen; haar ongehuwde jongere zuster Christina Sophia erfde huis Duistervoorde en ƒ 20.000,-. Christina Sophia woonde tot haar dood in 1798 op Duistervoorde en legde zich toe op het adellijk tijdverdrijf bij uitstek: de jacht.
De jacht is sinds de Middeleeuwen een grote liefhebberij van de adel geweest. Aanvankelijk was het zelfs een recht en privilege dat als vanzelfsprekend aan deze stand toekwam. In de Bataafs-Franse tijd werd weliswaar een einde gemaakt aan deze bevoorrechting, maar de jacht bleef het adellijk tijdverdrijf bij uitstek. Koning-stadhouder Willem III achtte alleen de adel gekwalificeerd tot het jagen en liet dit dan ook in 1675 dan ook middels het beruchte plakkaat op de jacht voor Gelderland vastleggen. Zijn opvolger Willem IV was milder toen hij het jachtplakkaat van 1750 opstelde: edelen en stedelijke regenten mochten in de hele provincie Gelderland jagen, voor overige burgers gold een beperkter jachtgebied, terwijl het boeren en landlieden ten ene male verboden werd te jagen. Bovendien kregen eigenaren van adellijke huizen en havezaten het particulier jachtrecht, dat wil zeggen het alleenrecht om op hun eigen grond te jagen, en het recht een jager in dienst te mogen hebben. Deze aanstelling diende zeer officieel te gebeuren en door de luitenantjagermeester en raden van het jachtgericht van het Kwartier van Veluwe te worden goedgekeurd. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden in het archief van huis Duistervoorde. 
Op 22 september 1784 werd Albert Willemse door ‘de frele van Stepraedt, vrouwe tot Duijstervoorde’ [Christina Sophia van Stepraedt/MT] tot jager van Duistervoorde aangesteld, hetgeen drie dagen later door het jachtgericht werd bekrachtigd. Zo zijn in de Duistervoordse archivalia meerdere zaken betreffende de jacht te vinden. Zo vroeg en verkreeg Johanna van Voorst in 1644 toestemming tot het aanleggen van een ‘conijnwarande’ achter het huis. Bijzonder aardig zijn de ‘lijeste van het wijld dat presend gedaan is’ uit 1777 en de ‘liste van het wild dat op Duystervoorde is geschoten doen haar HWGBen [Hoogwelgeborenen/MT] daar sin gewest’ van een jaar later. 
Hierin wordt het geschoten wild opgesomd en aan wie het cadeau gedaan is. De variatie in het geschoten wild was overigens beperkt; de lijsten maken alleen melding van hazen, hoenders en snippen. Over Duistervoorder jachtzaken in de negentiende eeuw is auteur dezes helaas niets bekend.
Na de dood van Christina Sophia van Stepraedt vererfde het huis op Herman Adolf von Nagell-Vornholz die gehuwd was met Johanna Elisabeth van Doornick, dochter van de oudere zus van Christina Sophia. Zijn erven verkochten het huis in 1829 aan Johan Carel Goldenberg, die Duistervoorde in 1863 doorverkocht aan de Amsterdamse bankier Johan Hendrik Timme. Hij is degene geweest die het huis zijn huidige uiterlijk gaf; in 1864 liet hij het ingrijpend verbouwen. Het poortgebouw werd afgebroken. Van het materiaal werd café ‘De Poorte’ gebouwd. Het eerder genoemde alliantiewapen werd in de gevel van dit gebouw aangebracht en is daar nog altijd te vinden. Het huis zelf werd gedeeltelijk afgebroken en herschapen in een witgepleisterde villa met gietijzeren balustrades en balkons. De grachten rond Duistervoorde werden voor een belangrijk deel gedempt; slechts aan de achter- en linkerzijde van het huis is er nog iets van terug te vinden. Het landgoed werd in 1878 in percelen geveild. Eigenaar van het huis en de omliggende grond werd toen het Rooms-katholiek kerkbestuur van Twello-Duistervoorde. Deze liet naast het huis de St. Martinuskerk bouwen, die in 1888 gereed kwam. In het huis zelf werd een bewaar- en naaischool ingericht, geleid door de Zusters van Liefde van Jezus en Maria, Moeder van Goeden Bijstand, uit Schijndel. Het huis stond toen bekend onder de naam ‘St. Antonius Gesticht’. In 1967 verlieten de zusters Duistervoorde. Daarna werd het tot 1999 bewoond door de familie IJsseldijk.  Het kerkbestuur die het onderhoud van het pand steeds zwaarder op de parochiefinanciën voelde drukken, besloot tot verkoop van Duistervoorde. In de zomer van 1999 werd het verkocht aan de heer M.S. Smith en mevrouw A.P.J.M. Smith-van Rijn uit Apeldoorn, die het huis na een grondige renovatie onder leiding van architect Ambachtsheer in oktober zullen betrekken.
Als de renovatie van Duistervoorde afgerond zal zijn en het echtpaar Smith-Van Rijn zijn intrek zal nemen op het huis, breekt een nieuwe periode in de bewoningsgeschiedenis aan. Wellicht zouden zij na kunnen denken over herstel van de tuinen, hoewel nagenoeg niets over de tuingeschiedenis van Duistervoorde bekend is. Nader onderzoek zou wellicht nog iets aan het licht kunnen brengen.
Eigenaar/Bewoners Het echtpaar Smith-Van Rijn
Huidige doeleinden Privé bewoning. 
Toegankelijk Huis en directe omgeving zijn niet toegankelijk voor het publiek.
Foto's Foto 1 (Jan Harenberg) Zwart-wit foto augustus 1959
Bronnen Met dank aan Drs. Marc V.T. Tenten