Hof te Borculo (Borculo)
Op deze pagina vindt u
informatie over Hof
te Borculo.
|
Ligging |
Aan de rand van het stadje
Borculo |
|
Ontstaan |
Een eerste
vermelding vinden we in 1182 met
Henricus van Borculo als stichter van het geslacht Van Borculo. |
|
Geschiedenis |
Ooit werd het stadje Borculo gedomineerd door
een machtige middeleeuwse burcht, waarvan echter helaas weinig is
overgebeleven. Als stamvader van het geslacht van de heren van Borculo - naar men veronderstelt een jongere tak van het oude dynastengeslacht der graven van Lohn - geldt Henricus de Borclo, die in 1182 voorkomt. Aanvankelijk richtten de heren van Borculo zich op Műnster, later zullen zij zich meer oriënteren op Gelre, waar zij tot de voornaamste edelen behoren van dat graafschap, later hertogdom. Henricus II huwde in 1232 met Eufemia, dochter van burggraaf Rudolfus van Coevorden en verkocht in 1236 de stad Groenlo aan graaf Otto II van Gelre. Henricus III werd niet alleen heer van Borculo maar in 1275 ook burggraaf van Coevorden. Met Henricus V sterft de hoofdtak uit en Borculo gaat naar zijn achterneef Reinald III, burggraaf van Coevorden. Die noemde zich in 1350 dan ook "Wy Reynolt, Here van Covorde unde van Borculo". Maar om onbekende reden doet hij Borculo omstreeks 1358 over aan Henrica van Borculo genaamd Dodinckweerd, die in 1360 Gijsbert van Bronckhorst huwde. Met Gijsbert doet een nieuw geslacht zijn intrede, dat met graaf Joost in 1553 uitsterft. Aanspraak op diens erfenis maakten Ermgard van Wisch, gravin-douairière van Limburg Stirum en Rudolph graaf van Diepholz, respectievelijk nicht en achterneef van Joost. De bisschop van Műnster steunde de laatste, aangezien hij terecht vond dat Ermgard niet in een mansleen kon opvolgen. De Staten van Gelderland, die er in feite niets over te vertellen hadden, wezen Borculo toe aan Ermgard, hetgeen tot moeilijkheden moest leiden. En dat was één van de redenen dat de bisschop in het rampjaar 1672 tot de partij voor Lodewijk XIV behoorde. De Stirum's blijven eigenaar tot 1727, wanneer zij gedwongen zijn, de heerlijkheid te verkopen en na enige verwikkelingen werd in 1742 eigenaar Georg Detlev Rijksgraaf von Flemming, generaal-veldtuigmeester van het Groothertogdom Lithauen, die een veilig en stabiel land zocht om zijn geld te beleggen. Zijn dochter Isabella, gehuwd met de Poolse prins Adam Czartoryski verkocht de hele zaak in 1777 aan de stadhouder prins Willem V. Die vestigde in het restant van het Hof een paardenfokkerij, die na de Franse tijd de "Rijksstoeterij Borculo" werd. Later, in 1842, werd deze voortgezet door koning Willem II, maar door koning Willem III definitief opgeheven, waarna in 1854 Mr. Johan Derk Carel baron van Heeckeren van Wassenaer eigenaar werd. Het ging hem vermoedelijk slechts om de bijbehorende gronden, want in 1869 werd het kasteel voor afbraak aangeboden en daarna gesloopt, op de kelders na, zoals de verkoper had bedongen. Op die kelders liet Carel Ferdinand Schaars in 1887 de huidige villa bouwen, waar naast in 1921 een cichoreifabriek gebouwd werd, die overigens al weer verdwenen is. De funderingen van het kasteel ziten nog in de grond, maar verder is er niet veel van over gebleven. Een poortje werd in een schoolgebouw aan de Hofstraat ingemetseld. Hoewel er weer een huis op de oude plek verrezen is, kan men toch wel zeggen dat de glorie van Borculo met de afbraak van Het Hof verdwenen is. |
|
Eigenaar/Bewoners |
|
|
Huidige doeleinden |
Privé bewoning |
|
Toegankelijk |
Het huis is niet
toegankelijk voor het publiek. |
|
Foto's |
|
|
Bronnen |
|