Rhederoord (De Steeg)
Op deze pagina vindt u
informatie over Rhederoord.
| Ligging | In de heuvels boven het dorpje 'De Steeg' aan de Parkweg. |
| Ontstaan | Het huis is gebouwd in de jaren 1745 - 1746 door Willem Reynier Brantsen. |
| Geschiedenis | Hoewel
dit huis tegenwoordig met ‘Kasteel’ wordt aangeduid, komt het huis
in historisch zin een dergelijke kwalificatie niet toe. Het huis staat
niet op het fundament van een middeleeuwse burcht, noch is het voor de
19e eeuw gebouwd door een adellijke bouwheer of door een adellijke
familie bewoond geweest. Het heeft ook nooit als verdedigingswerk een
functie gehad. De geschiedenis van het huis gaat niet verder terug dan tot het midden van de 18e eeuw. De voorgeschiedenis van Rhederoord begint in de tweede helft van de 17e eeuw. Tussen 1650 en 1675 was het een zekere Willem Everwijn († 1673) die naar het zich laat aanzien, planmatig een groot aantal boerderijen, grond en weidevelden aankocht aan beide zijden van de IJssel aan de westzijde de vlek De Steeg. Willem woonde in Arnhem, waar hij het ambt van Ontvanger van het Convooien en licenten bekleedde, een In- en uitvoertol die door de Staten Generaal overal aan de grenzen van de republiek der Verenigde Nederlanden werd geheven. Naar alle waarschijnlijkheid was hij een goed financieel expert en administrateur, want in 1661 werd er tot lid van het bestuur van de Arnhemse St. Nicolai-broederschap gekozen. Twee jaar later zelfs tot huismeester van deze in goeden doen verkerende broederschap, een functie die hem het toezicht gaf over de bezittingen van de broederschap die tot op de huidige dag nog bestaat. Ook in de liefde toonde hij zich iemand die weloverwogen te werk ging. Hij huwde Johanna Kelffken, een van de dochters van de heer Doctor utriusque juris Johan Kelffken († 1652), Raadsheer, en in de laatste vijf maanden van zijn leven feitelijk President van het hooggerechtshof van het vorstendom (Hertogdom?) Gelre en van de Graafschap Zutphen tot Arnhem. Door dit huwelijk steeg hij enorm in aanzien, want de familie Kelffken behoorde zowel in Nijmegen als in Arnhem tot de Regenten- of Patriciërsfamilies. Sinds de 16e eeuw zijn vele leden van deze families in deze beide hoofdsteden van Gelderland lid van de Gemeenteraad en daaruit voortvloeiend burgemeester en Schepen geweest. Waarschijnlijk is dit huwelijk voor Willem in financieel opzicht zeer voordelig geweest, dat hij ook daardoor in staat was om zijn systematische grondaankoop politiek in De Steeg, Rheden en omgeving te kunnen bekostigen. Als grootgrondbezitter ter plaatse werd hij in de zestiger jaren van de 17e eeuw tot (Holzrichter der Waldmarkengenossenschaft) van de Rhedense bossen gekozen. Een functie die hem opnieuw de mogelijkheid gaf zijn grondbezit uit te breiden. Misschien heeft hij toen al plannen gehad op deze plaats een huis te bouwen, maar daar kwam het niet van, omdat hij op 29 september 1673 stierf. Later (1698) trouwde zijn oudste dochter Nalida Everwijn (1661-1737), de enige van zijn drie dochters die huwde, met Hendrik Brantsen (1665-1742). Het complete grondbezit van haar vader in De Steeg en omgeving bracht zij bij haar huwelijk in. Hendrik Brantsen, sinds 1705 Burgemeester van Arnhem, stamde ook uit een Arnhems Regenten- en Magistratenfamilie die steenrijk was. Net als zijn schoonvader beijverde ook hij er zich om zijn grondbezit in en westelijk van De Steeg uit te breiden en te verbeteren. Het grootgrondbezit was zo omvangrijk dat zijn tweede zoon Willem Reynier Brantsen (1701-1789) na de dood van zijn vader diens complete landbezit in Rheden en De Steeg erfde. Ook zijn beide broers erfden een qua oppervlak bijna gelijk grondgebied. Deze gepromoveerde jurist, die in 1735 ook burgemeester van Arnhem werd en twee jaar later Raadsheer bij het provinciale Gerechtshof, wijdde zich zijn leven lang aan zijn grootste hobby: wetenschappelijk onderzoek. Dat was zijn belangrijkste vrije tijds besteding, want hij is nooit getrouwd. Hij maakte een grondige studie van alle -hoofdzakelijk buitenlandse- literatuur op het gebied van Bosbouw en besloot al snel na de dood van zijn vader zijn kennis op dit gebied in daden om te zetten, toen hij zich voornam om nieuwe bosaanplant op zijn bezit uit te voeren. In het begin wendde hij zich tot de vermaarde bouwmeester, decorateur en tuinarchitect Jacob Marot, zoon van de beroemde Daniel Marot die hem verschillende, in het archief van de familie bewaard gebleven, ontwerpen van parken in ‘klassiek’ Franse stijl more geometrico toezond. Centraal in dit park lag het huis dat in de jaren 1745 en1746 daadwerkelijk werd gebouwd door Willem Reynier Brantsen op de plaats waar het zich nu bevindt. Op een heuvel, genaamd Stickenberg, waar een vervallen boerderij stond genaamd Stickhuysen. Het toentertijd gebouwde huis omvatte eigenlijk alleen het middelste deel van het huis en was veel eenvoudiger van opzet. Het was een rechthoekig, twee verdiepingen tellend gebouw, met voor- en achterdeur in het midden; links en rechts door twee tamelijk hoge ramen geflankeerd, en op de bovenverdieping aan de voor- en achterzijde telkens vijf rechthoekige raampartijen. Een dak zonder ramen en in de beide zijmuren op elke verdieping slechts twee ramen, waaruit zich laat herleiden, dat het toenmalige huis veel smaller was. Zijn huidige vorm heeft Rhederoord dan ook aan meerdere verbouwingen in de 19e en 20e eeuw te danken. Daarbij werd het huis aanmerkelijk verbreed en verlengd. Zowel de -huidige- conferentiezaal als de conversatiezaal op de begane grond zijn tijdens de verbouwingen tot stand gekomen. In grond van de zaak vond Willem Reynier Brantsen het huis minder belangrijk dan de aanleg van het park er omheen. Of met de aanleg van het park naar het ontwerp van Marot ook daadwerkelijk is begonnen, is niet duidelijk. Vast staat in ieder geval dat de inzichten van Brantsen met betrekking tot de parkaanleg in de tweede helft van de 18e eeuw volledig zijn gewijzigd. In zijn privé archief bevinden zich verschillende ontwerpen van Tuin- en Landschapsarchitecten uit deze periode, die een compleet andere sfeer ademen: geen klassiek aandoende franse aanleg, die de natuur geometrische vormen, zoals vierkante, rechthoekige, driehoekige en cirkelvormige figuren opdringen, maar veel meer ontwerpen in vrije, ongedwongen engelse landschapsstijl: boompartijen met groende weidevelden afgewisseld met slingerende paden. Dat deze vorm ook daadwerkelijk werd gerealiseerd bewijst de huidige vormgeving van het park, hoewel intussen tot 12 ha. ingekrompen, nog steeds. De vraag blijft, waarom Willem Reynier tot deze verandering in zijn denken is gekomen. Zoals gezegd was wetenschappelijk onderzoek zijn grootste hobby en daadwerkelijk werd in de tweede helft van de 18e eeuw de engelse landschapsstijl tot de nieuwste mode, vooral onder de invloed van de ‘Theorie der Gartenkunst’ geschreven door de Duitse Tuinarchitect Christian C. L. Hirschfeld (1773). Tegen het einde van de 18e eeuw waren er in Gelderland al zo’n 15 Kastelen en Landgoederen, waar zich een dergelijk ‘modern’ park bevond. Willem Reynier Brantsen is duidelijk een van de pioniers van deze nieuwe richting geweest. Vast staat in ieder geval dat Stadhouder Willem V hem in 1768 als expert consulteerde toen hij de Bos en Park aanleg bij zijn jachtslot in het naburige Dieren wilde veranderen en moderniseren. Hoewel dit project slechts gedeeltelijk werd uitgevoerd, werd het park rondom het slot in engelse landschapsstijl gerealiseerd, wat tot op de huidige dag nog zichtbaar is. Bij dit experiment was Willem Reynier Brantsen als adviseur betrokken. Wellicht heeft dit proefproject hem ertoe aangezet op zijn eigen Landgoed Rhederoord een soortgelijke verandering door te voeren. Willem Reynier Brantsen is in 1772 begonnen een groot aangelegd park in landschapsstijl en een doortastende vernieuwing van het bos areaal door te voeren. Meer dan 80 verschillende boomsoorten, waaronder vele exoten en allerlei coniferen, werden groepsgewijs aangeplant. Grotendeels hebben deze zich tot op vandaag kunnen handhaven zoals men dat tijdens een wandeling door het park zelf kan zien. Deze hele onderneming werd door Willem Reynier’s neef Derk Willem Abraham Brantsen (1742 - 1808) die Rhederoord erfde in 1789 na de dood van Willem Reynier voortgezet. De tuinarchitect J.P. Post was hem daarbij behulpzaam. Al in de laatste 25 jaar van de 18e eeuw mocht Rhederoord zich een bekende en gerenommeerde bezienswaardigheid noemen. Dit was niet aan het huis te danken, maar veel meer aan het schitterende uitzicht op het IJsseldal -westelijk van het huis was een verhoogd terras van waaruit men van het prachtige vergezicht kon genieten - en verder van het park met zijn veelsoortige exoten. Midden in het park stond een soort ‘Hermitage’ waar de bezoekers hun naam en opmerkingen in een register konden schrijven. Dit tweedelige register (1798-1846) vermeld een groot aantal binnen- en buitenlandse bezoekers. Tot 1911 bleef Rhederoord in de familie Brantsen, hoewel het landgoed meermaals in andere takken van de familie vererfde. In 1911 werd het landgoed door N.J.H. van Asselt aangekocht. Sindsdien hebben meerder al dan niet adellijke mensen het huis in bezit gehad. In de twintiger jaren van deze eeuw werd het meest westelijke deel van het park door de gemeente Rheden voor woningbouwdoeleinden aangekocht. Daar ontstond in de dertiger jaren de landelijke villawijk ’Rozenbosch’. Het overige deel, met uitzondering van de 12 ha. die bij het huis behoren, viel gelukkigerwijze aan de Vereniging Natuurmonumenten toe. Het huis en de 12 ha. grond zijn nu in particuliere handen |
| Eigenaar/Bewoners | Onbekend |
| Huidige doeleinden | Het huis wordt geëxploiteerd als hotel / restaurant (INFO) |
| Toegankelijk | Landgoed
toegankelijk, huis en directe omgeving zijn toegankelijk
voor het publiek. |
| Foto's | |
| Bronnen | Huize Rhederoord |