Sonsbeek / Huis Hartjesberg (Arnhem)
Op deze pagina vindt u
informatie over Sonsbeek.
| Ligging | Aan de rand van het centrum van Arnhem. |
| Ontstaan | Een voorloper van het huidige huis is gebouwd in 1744. |
| Geschiedenis | Sonsbeek is een
lustoord en heeft die functie al bijna 250 jaar. Het ligt op een unieke
plek en vormt de overgang tussen de stad en het omliggende land. De
eerste bewoners waren boeren en molenaars die in het midden van de
achttiende eeuw gezelschap kregen van deftige dames en heren. Deze
gegoede burgers wilden zich in een comfortabele op maat gesneden
omgeving terugtrekken uit de beslommeringen van hun dagelijkse leven in
de stad, teneinde zich geheel toe te leggen op het vermaak: de tuinkunst,
de jacht, de rijkunst en andere vormen van buitenlust die men in
zo'n omgeving kon genieten. Er werden landhuizen gebouwd, op zonnige
plaatsen, voorzien van vele vensters, waardoor steeds weer een ander
prachtig uitzicht werd geboden. Om deze lusthuizen werden waterpartijen,
exotische grotten en geheimzinnige eilanden aangelegd met de bedoeling
iedere wandeling tot een avontuur te maken en een omgeving te creëren
die een tocht naar Zwitserland of Italië overbodig zou maken. Sinds
ruim 90 jaar is de heerlijkheid Sonsbeek niet langer voorbehouden aan
weinigen, maar eigendom van alle Arnhemmers die zich graag in het park
vermeien. Sonsbeek vertegenwoordigt een unieke combinatie: een monument (het park) met een aantal monumenten daarin van zowel bouwkundige als landschappelijke aard. Zo zijn Huis Sonsbeek en de Theeschenkerij twee uiterlijk goed bewaard gebleven buitenhuizen, te vinden in een park dat voorzien is van allerlei landschappelijke effecten, die dateren van het eind van de achttiende eeuw en die tegenwoordig op veel plaatsen nog terug te vinden zijn. De Precieze oorsprong van de naam Sonsbeek is onbekend. Waarschijnlijk is het een verbastering van St. Jansbeek, naar de Commanderie van ST. Jan die landerijen bezat in het gebied waar de beek doorheen stroomde. Het huidige park Sonsbeek bevindt zich tussen de Apeldoornseweg, de Zijpendaalse weg, de Parkweg en de Kluizeweg en omvat 66,20 hectare. Dit is slechts een fractie van de oorspronkelijke omvang van het landgoed Sonsbeek, dat zijn hoogtepunt in het midden van de negentiende eeuw kende. Het tegenwoordige gebied bestaat uit de samenvoeging van delen van de vroegere landgoederen Sonsbeek, Wildbaan en Hartjesberg. Tijdens een onderzoek naar de oorsprong van dit gebied als buitenverblijf, bleek het geslacht Van Sonsbeek al sinds 1430 in deze buurt bekend te zijn. De eerste bewoner van het gebied die hier zijn zomerverblijf had, was Karel van Egmond, hertog van Gelre, die rond 1530 onder andere het Gulden Spijker bezat, waarvan de fundamenten op het eilandje in de grote vijver zijn teruggevonden. Het was een buitenverblijf waar Karel vaak kwam, getuige de aanhef van zijn brieven uit die tijd. Om zich te vermaken had hij er een visvijver, een privé-kapelletje en een wildbaan laten aanleggen. Deze wildbaan was een door wallen en water omringd jachtterrein en leende zijn naam aan dat gedeelte van het landgoed dat tot het einde van de achttiende eeuw de Wildbaan heette. Na belegering van Arnhem door Philips van Oostenrijk in 1505 werd het bosrijke gebied Arnhemmerholt, waarvan het huidige Sonsbeek deel uitmaakt, geheel vernietigd, met als doel de Arnhemmers economisch te treffen: de houtwinning vormde namelijk een belangrijke bron van inkomsten. Hierna ontstonden op deze plaats voornamelijk heidevelden die slechts voor het weiden van schapen kon worden gebruikt. Een belangrijke rol in het ontstaan van Sonsbeek had het molenbedrijf dat aan de St. Jansbeek, ook wel Molenbeek geheten, plaatsvond. Door het snel stromende water van de beek werden sinds de dertiende eeuw korenmolens, een enkele papiermolen en zogenaamde eek- en runmolens (waarin eikenbast werd vermalen tot een grondstof voor de leerlooierij) aangedreven. In de zeventiende eeuw bevonden zich bleekvelden en zaailand aan de overkant van de beek, waar onder meer rogge en tabak werd verbouwd. Het geboomte dat werd aangeplant, werd gebruikt als akkermaalshout (voor houtwinning). Verder had iedere molenaarswoning een hof (tuin), moestuinen en boomgaarden. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werden de heetvelden (heide) op grote schaal omgezet in zaailand, houtgewas en tuinen. Vooral de eerste twee categorieën leverden beduidend meer op dan de schapenteelt. Het land in de omgeving van de stad werd aangekocht door vermogende heren uit het westen van het land en regenten van Arnhem. Door hen werd het goedkoopste heideland op grote schaal in cultuur gebracht, hetgeen een zeer winstgevende belegging was. Op deze wijze ontstonden vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw in de omgeving van Arnhem de landgoederen Lichtenbeek, Sterrenberg, Klarenbeek, Warnsborn, Sonsbeek en Hartjesberg. Lustoorden ontstonden pas in de loop van de achttiende eeuw, toen het in de mode was om zich in door parkaanleg omgeven zomerverblijven terug te trekken. De Hartjesberg of Hartgersberg, waar nu het huis Sonsbeek staat, is waarschijnlijk genoemd naar een zestiende-eeuwse bewoner die Hartger, Hartgers heette, en was, zoals blijkt uit zeventiende-eeuwse kaarten, gedeeltelijk in gebruik als boomgaard en als zaailand. Blijkens een stuk in het Arnhemse gemeentearchief kocht Vrouwe Adriana van Bayen , voor een bedrag van 6.000 gulden, het goed Hartjesberg van Hendrina Jansen op 4 oktober 1742. Over Adriana van Bayen (1723-1755) is weinig bekend. Wel wordt vermeld dat zij met een groot fortuin, ze was 19 jaar oud toen ze het landgoed kocht, uit Indië zou zijn teruggekeerd. Het feit dat zij zich op Hartjesberg vestigde, heeft wellicht te maken met het feit dat ene Hendrik van Bayen in deze periode het nabijgelegen goed Zypendaal bezat. In 1744 liet Adriana voor het kapitale bedrag van 12.000 gulden een huis bouwen op de Hartjesberg door Anthony Viervant, een telg uit een zeer vooraanstaande architectenfamilie. Het buitenhuis had toen nog niet de omvang van het huidige Sonsbeekhuis: in een archiefstuk uit 1775 spreekt men nog over "het huysje op den berg", toen in eigendom van Johan Jongbloet, advocaat aan het hof van Gelderland, die in 1749 met Adriana in het huwelijk was getreden. Als het Huis Sonsbeek twintig jaar later onder zijn oude naam Hartgersberg te koop wordt aangeboden vertoond de beschrijving van het pand al veel overeenkomsten met de huidige toestand. Sinds 1790 was het Huis Hartjesberg in handen van Jan Frederik Diemer die het van Gerard Belaerts van Wieldrecht, de schoonzoon van Adriana van Bayen, had gekocht. Zeer waarschijnlijk is het Diemer geweest die de in 1797 vermelde zijvleugels heeft laten aanbouwen. Een zogenaamde koepelkamer aan de achterzijde van het gebouw bestond al in 1790 toen Jacob Gessler de Raadt tijdens zijn 'Gelders Reisje' een bezoek bracht aan Belaerts. In 1808 wordt het huis opnieuw verkocht. Daniel Ruysch, eigenaar sinds 1797, verkoop het goed aan de uit Den Haag afkomstige baron Theodore de Smeth, kamerheer des konings. Hij was het die vervolgens de landgoederen Hartjesberg en Wildbaan, die hij twee jaar eerder gekocht had, samenvoegde onder de naam Sonsbeek. Aan het huis is gedurende de periode dat baron De Smeth er zijn zomerverblijf had, niets veranderd. In 1821 komen we vervolgens wederom een nieuwe eigenaar tegen, H.J.C.J.baron van Heeckeren (1785-1862). Het gerucht gaat dat de baron het goed aankocht tijdens een diner met het echtpaar De Smeth. Van Heeckeren heeft direct na de aankoop in 1821 veel bouwactiviteiten ontwikkeld. Zo liet hij een oranjerie met broeikas bouwen, een koetshuis op de plaats waar zich nu de nieuwe dependance van het Art Centre bevindt en een stalling voor zijn stoeterij. Aan de ingang van de Apeldoornseweg werden woningen voor de rentmeester en de kok geplaatst. Door nieuwbouw van het koetshuis en de oranjerie kwamen de zijvleugels vrij en konden deze geheel als woonruimte in gebruik genomen worden. Hiermee verdubbelde Van Heeckeren in één keer het bewoonbare vloeroppervlak van het huis. In dezelfde periode werd ook een smeedijzeren hek geplaatst in de vorm van een halve cirkel onderbroken door vier voetstukken van blauw steen, die ieder een prachtige vaas droegen. Dit hek stond op dezelfde plaats als het tegenwoordige hekwerk. Over de familie Van Heeckeren en hun huishouden op Sonsbeek is aanzienlijk meer informatie te vinden dan over de voorafgaande bezitters en bewoners. Hendrik Jacob Carel Johan baron Van Heeckeren van Enghuizen, Heer van Beverwaard en Odijk, ook wel Beurse geheten, woonde in Den Haag en was lid van de ridderschap van Gelderland. Van Heeckeren had, zoals zoveel van zijn adellijke leeftijdgenoten, een militaire opleiding genoten. Vanaf zijn negende jaar genoot hij het krijgsonderricht op de militieschool van zijn woonplaats Zutphen, waarna hij tussen 1800 en 1805 te Berlijn aan de Militaire Academie studeerde. Als beroepsmilitair was hij onder meer cornet in het regiment Kurassiers von Quitzow, in welke hoedanigheid hij deelnam aan de slag bij Jena tegen Napoleon (1806). Later nam hij echter ontslag en trad in dienst bij de lijfwacht van Napoleons broer Lodewijk, koning van Holland. In 1812 maakte hij als huzaar onder Napoleon de beruchte veldtocht tegen Rusland mee en in 1813 was hij betrokken bij de slag bij Leipzig, waar een paard hem vandaan werd geschoten. Toen in 1814 het Franse leger verslagen was, vervalste Van Heeckeren zijn papieren waarin nu alleen te lezen stond dat hij in Hollandse dienst was geweest. Vervolgens werd hij door koning Willem I benoemd in de rang van majoor en adjudant des konings. In 1816 huwde hij Elisa Hope William met wie hij in 1821 samen met twee zoons Sonsbeek als residentie koos. De uitbreidingen van het huis, met name het als woonruimte in gebruik nemen van de zijvleugels, had wellicht te maken met plannen van het echtpaar om een groot nageslacht voort te brengen. Helaas werden zij in dit voornemen keer op keer door ellende getroffen. De twee zoons met wie ze het landhuis in 1821 betrokken, stierven jong; Evert Frederik overleed in 1829, elf jaar oud en Reinhald Hendrik in 1838 op achttien jarige leeftijd. Hun in 1929 op Sonsbeek geboren dochter Juliana Louisa Wilhelmina werd slechts twee jaar ouder dan Reinhald Hendrik en overleed op het landgoed in 1849. Eén zoon overleefde zijn vader: Louis Evert (1830-1883). Waarschijnlijk is het deze Van Heeckeren over wie nog steeds in Arnhem het gerucht gaat dat hij schandelijke decadente feesten gaf op het landgoed en zich aan de kinderen van zijn pachters vergreep. Het laatste was de reden voor een veroordeling, zo wordt verteld. Van 1860 werd Louis Evert in een krankzinnigeninrichting verpleegd, waar hij in 1883 overleed. In 1848 werd het gehele landgoed dat door H.J.C.J.van Heeckeren fors was uitgebreid, getaxeerd. Bij deze taxatie blijken zich dertig tot veertig gebouwen op het terrein te bevinden. Hieronder bevinden zich boerderijen, watermolens, washuizen en blekerijen. Tot laat in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw waren er washuizen langs de beek aanwezig. De opvolger van H.J.C.J.van Heeckeren was diens neef Frederik Florent Jacques Henri baron van Heeckeren van Enghuizen, Heer van de Cloese (1799-1870). Frederik was curator van de wettige erfgenaam Louis Evert die door zijn krankzinnigheid en wellicht ook vanwege zijn reputatie te Arnhem, het beheer over het zeer omvangrijke landgoed niet op een behoorlijke wijze ten uitvoer kon brengen. In 1884, na een tussenperiode van veertien jaar, werd Guillaume Maurice Alexander van Heeckeren eigenaar van het landgoed, tot het in 1898 werd verkocht aan de N.V. ter exploitatie van Sonsbeek. Toen Sonsbeek in 1898 werd aangekocht door de N.V. ter exploitatie van Sonsbeek, omvatte het gebied meer dan 800 hectare. De belangrijkste drijfveer voor de exploitatiemaatschappij was niet het behoud van het park of het goed als geheel, maar speculatief. Arnhem had zich in het laatste kwart van de negentiende eeuw sterk uitgebreid, delen van Sonsbeek waren in 1853 al aangekocht voor de aanleg van de spoorlijn naar Duitsland en in 1884 verkocht Guillaume van Heeckeren St. Marten, de Tonnenberg en het gebied waar later de Burgemeesterswijk kwam te liggen. Langzaam werd het landgoed door de steeds groeiende stad opgegeten en werden zonder enig bestemmingsplan woonwijken gebouwd. Nadat de exploitatiemaatschappij was begonnen met bouwen besloot de gemeente Arnhem onmiddellijk in te grijpen door het terrein dat nog over was, zo'n 500 hectare, aan te kopen met het doel een deel te behouden, waaronder Alteveer en Cranevelt, en het overige, zo'n 66 hectare, als park te behouden. In 1899 werd dit voornemen uitgevoerd. Op het terrein van Sonsbeek werden onder meer Burgers Dierentuin en het Openluchtmuseum gevestigd. De voormalige tuinmanswoning waar men zich in de negentiende eeuw diende te vervoegen om het park in gezelschap van een gids te bezoeken, werd theeschenkerij. De gemeente verpachtte het Huis Sonsbeek sinds 1900 als hotelpension, de reden waarom het tegenwoordige huis door de oudere bevolking nog steeds Hotel Sonsbeek genoemd wordt. Het hotel gold als zeer exclusief. In de omgeving van het gebouw waren hekken geplaatst, die zo nu en dan voor een karos of automobiel geopend werden om de chique gezelschappen te ontvangen. Het gebouw was ontoegankelijk voor het publiek, hetgeen pas zal veranderen als het later in 1989 zijn museumfunctie krijgt. Op 21 juli 1897 werd Sonsbeek getroffen door een ramp, bij de succesvolle Geldersche Nijverheidstentoonstelling brak er brand uit en ging de in 1822 door Van Heeckeren gebouwde oranjerie geheel verloren. Later, toen de tentoonstelling nagenoeg afgelopen was, brandde in de nacht van 13 op 14 september het hoofdgebouw inclusief het oude koetshuis en de stallen uit. De oorzaak van deze branden is nooit geheel duidelijk geworden. Een storing in de elektrische leiding, destijds een geheel nieuwe vorm van energie, werd als boosdoener aangewezen. |
| Eigenaar/Bewoners | Gemeente Arnhem |
| Huidige doeleinden | Sinds 1989 is het Sonsbeek International Art Centre er gevestigd als museum |
| Toegankelijk | Het huis en park zijn toegankelijk voor het publiek. (INFO) |
| Foto's | |
| Bronnen | Uitgeverij Waanders, kleine monumenten reeks - Huis Sonsbeek, een monument in een monumentaal park (drs. Paul M. Beek) |